Quiz 30 maart 2021

Uitslag
Vraag 1/3
Bram verhuurt sinds jaar en dag een onbebouwde strook grond aan Joep. Joep kan daar mooi een aanhangwagen stallen en plaatst er ook zijn voorraad hout voor de kachel voor in de winter. Bram en Joep hebben afgesproken dat Joep jaarlijks vóór 1 januari in één keer voor het daaropvolgende jaar de huur betaalt. Bram wil de grond terug en wil de huur opzeggen. Hoe dient Bram dat te doen?
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
a
Opzeggen met een termijn van één maand, want een huurovereenkomst voor onbebouwde grond is maandelijks opzegbaar.
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
b
Opzeggen met een termijn van zes maanden. Nu Joep al jaren de grond huurt, moet Bram een termijn van zes maanden hanteren.
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
c
Opzeggen tegen 1 januari van het volgende jaar, omdat Bram en Joep een huurbetaling hebben afgesproken van één kalenderjaar, met een termijn van één maand.
Toelichting
In artikel 7:228 lid 2 BW staat dat de opzegging dient te geschieden tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste een maand. Nu Bram en Joep zijn overeengekomen dat de huurbetaling steeds voor 1 januari moest zijn voldaan, geldt 1 januari als de betaaldag waartegen moet worden opgezegd, met een minimumtermijn van één maand.
Kies een antwoord.
Vraag 2/3
Inge woont sinds vier jaar in bij haar moeder in een sociale huurwoning. Alleen haar moeder staat op de huurovereenkomst als huurder. Inge heeft op internet gelezen dat zij inwoner is en zelf geen rechten kan ontlenen aan de huurovereenkomst. Zij wil daarom medehuurder worden. Daartoe verzoekt zij in haar eentje de verhuurder om medehuurder te mogen worden en onderbouwt uitvoerig met stukken dat zij met haar moeder een duurzame gemeenschappelijke relatie heeft. Voldoet haar verzoek om medehuurder te mogen worden aan de wettelijke vereisten?
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
a
Ja
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
b
Neen
Toelichting
Inge heeft weliswaar meer dan twee jaar haar hoofdverblijf in de woning en heeft een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar moeder, maar op grond van de wet (art. 7:267 lid 1 BW) moet het een gezamenlijke verzoek tot medehuurderschap betreffen. Het verzoek had dus gezamenlijk met de moeder van Inge moeten plaatsvinden en voldoet dus niet aan de wettelijke vereisten.
Kies een antwoord.
Vraag 3/3
Om medehuurder te kunnen worden, dient de inwoner onder andere gedurende tenminste twee jaar zijn hoofdverblijf in de woonruimte te hebben. Geldt dit vereiste ook bij een verzoek om de huurovereenkomst tussen de verhuurder en de overleden huurder te mogen voortzetten?
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
a
Ja
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
b
Neen
Toelichting
Artikel 7:268 BW ziet op het verzoek tot voortzetting van de huur na het overlijden van de huurder. Het artikel bepaalt niet dat de inwoner gedurende tenminste twee jaar zijn hoofdverblijf in de woning moet hebben gehad. Overigens geldt wel het vereiste van de aanwezigheid van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen de inwoner en de overleden huurder. Dat vergt een weging van alle feiten en omstandigheden, dus ook van de duur van de inwoning. Er geldt echter geen absoluut tweejaarsminimum.
Kies een antwoord.