Beantwoord de korte quiz over huurrecht en krijg inzicht in uw kennis.
Uitslag
Vraag 1/3
Hamid huurt een losse garagebox van Wst Voorwaarts. De woningstichting stuurt een aangetekende brief aan Hamid waarin zij de huurovereenkomst opzegt tegen 1 maart 2026 met de opzegtermijn van een maand die in de huurovereenkomst staat. Zij geeft niet aan waarom zij de huurovereenkomst wil opzeggen.

Hamid weigert echter de garage te ontruimen. De woningstichting besluit op 10 maart 2026 een kort geding tot ontruiming te starten.

Heeft dat kort geding kans van slagen?
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
a
Ja, want Hamid zit er zonder recht of titel, een huurder van een garage heeft geen huurbescherming;
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
b
Nee, de woningstichting moet ook bij verhuur van een garage een dringende reden tot opzegging hebben
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
c
Nee, een huurder van een garage kan aanspraak maken op een wettelijke bescherming als er ontruimd gaat worden.
Toelichting
De huur van een garage (net als bijvoorbeeld kantoorruimte, opslagruimte of een praktijkruimte) valt onder overige bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7: 230a van het Burgerlijk Wetboek. Dat betekent dat de huurder niet meteen het gehuurde hoeft te verlaten als de huurovereenkomst of wordt opgezegd.

Voor deze categorie geldt geen huurbescherming, maar wél ontruimingsbescherming gedurende een periode van twee maanden. Deze ontruimingsbescherming gaat in vanaf het moment dat de ontruiming wordt aangezegd. Het opzeggen van de huur alleen is niet voldoende, de ontruiming moet worden aangezegd. Dat kan tegen dezelfde als de huuropzeggingsdatum. Vanaf de aanzegging heeft de huurder twee maanden de tijd om naar de kantonrechter te stappen en te vragen de ontruimingstermijn te verlengen.

De rechter beslist hierover op basis van een belangenafweging. De eerste verlengingsperiode kan maximaal één jaar zijn en de totale verlenging niet langer dan drie jaar. De verhuurder hoeft geen wettelijke gronden aan te voeren voor de opzegging. In verband met de belangenafweging is het wel verstandig om te motiveren waarom de huur wordt opgezegd
Kies een antwoord.
Vraag 2/3
Wat is de opzegtermijn van een huurovereenkomst voor kantoorruimte?
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
a
Dat hangt van het huurcontract af
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
b
Een jaar
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
c
Zes maanden
Toelichting
Voor een huurovereenkomst voor overige bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7: 230a van het Burgerlijk Wetboek gelden geen bijzondere wettelijke regels behalve ontruimingsbescherming.

De opzegtermijn en de wijze van opzegging kunnen huurder en verhuurder vrij overeenkomen.
Kies een antwoord.
Vraag 3/3
Nellie wil van haar zijtuin een oprit maken en vraag toestemming aan haar verhuurder Woonvest b..v.

Nellie leest in de algemene huurvoorwaarden dat er geen speciale voorwaarden gelden voor veranderingen aan de buitenzijde. Ook vanuit de gemeente zijn er geen belemmeringen.

Woonvest b.v. weigert, omdat zij vindt dat er genoeg parkeerplekken zijn op straat. Ook wil ze niet dat een deel van de tuin gebruikt wordt als parkeerplaats.

Is de weigering van de verhuurder terecht?
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
a
Ja, verhuurder mag altijd de voorwaarden bepalen hoe de buitenzijde van het gehuurde wordt gebruikt door de huurder
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
b
Ja, want volgens het ZAV-beleid is dit een verandering die niet zonder noemenswaardige kosten ongedaan kan worden gemaakt. Daarvoor is altijd toestemming nodig
Uw antwoord was goed!
Uw antwoord was fout.
Het juiste antwoord was:
c
Nee, de verhuurder zal moeten aantonen dat de oprit leidt tot een slechtere verhuurbaarheid of een waardedaling van de woning
Toelichting
De huurder heeft volgens de wet geen toestemming nodig voor zelf aangebrachte voorzieningen (ZAV’s) die door de verhuurder bij het einde van de huur zonder noemenswaardige kosten ongedaan kunnen worden gemaakt (artikel 7: 215 lid 1 BW).

Voor overige ZAV’s (lees: die wel met noemenswaardige kosten gepaard gaan) moet de huurder aan de verhuurder toestemming vragen. De verhuurder is kort gezegd verplicht deze toestemming te geven, behalve als de ZAV leidt tot een slechtere verhuurbaarheid of een waardedaling van het gehuurde. Wel mag de verhuurder voorwaarden aan de ZAV stellen. Van dit wetsartikel mag niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.

Dit geldt niet voor voor veranderingen aan de buitenzijde. Daarvoor mag een afwijkend beleid worden gevoerd: de verhuurder mag bijvoorbeeld in beginsel alle veranderingen aan de buitenzijde verbieden (dus ook veranderingen die zonder noemenswaardige kosten ongedaan kunnen worden gemaakt). Als de verhuurder dit wil, dan moet dit wel in de huurovereenkomst worden opgenomen.

In deze casus is dat niet gebeurd: Woonveste b.v. zal dus moeten onderbouwen dat de carport leidt tot een slechtere verhuurbaarheid of een waardedaling van het gehuurde. Deze regels gelden voor huurcontracten die na 1 augustus 2003 zijn gesloten.
Kies een antwoord.